Home » Boekenplank » F.W. Nietzsche » Voorbij goed en kwaad

Voorbij goed en kwaadNietzsche doet in Voorbij goed en kwaad (1886) meer dan ooit een poging tot een systematische behandeling van thema’s waarop al eerder, ook in het voorafgaande lyrische Aldus sprak Zarathoestra, werd gezinspeeld. In dit ‘gevaarlijke boek’ worden het kennend subject en de vrije wil als ficties ontzenuwd. Nietzsche legt springstof onder de heersende metafysica, en begrippen als objectiviteit, verantwoordelijkheid en historisch besef worden rigoureus tot hun oorsprong als ‘wil tot macht’ herleid.
Nietzsche maakt ‘een studie van de doorsneemens’ (par. 26) en analyseert de banaliteit (par. 268) om er zich als voorname geest en ‘goede Europeaan’ van te distantiëren. In dit kader introduceert hij het fundamentele onderscheid tussen herenmoraal, met het begrippenpaar ‘goed en slecht’ als expressie van de aristocratische geest, en slavenmoraal als bron van het begrippenpaar ‘goed en kwaad’. Dat hij zich realiseerde dat zijn filosofische opstelling in een isolement voerde, blijkt uit de beroemde Nazang ‘Uit hoge bergen’. Nietzsche besefte dat zijn filosofie pas in de toekomst – rond 2ooo – op instemmnende lezers kon rekenen.